Een analyse van het, uhm, tegenstrijdige klimaatbeleid van Noorwegen door onze huis-Scandinavist Nina de Groot

Velen stellen zich bij Scandinavië een idyllisch natuurparadijs voor. Uitgestrekte fjorden, lange, besneeuwde bergketens en vriendelijke, witte mensen die in roodgeschilderde houten huisjes aan spiegelgladde meren wonen. Deze mensen zouden in die perfecte wereld dan ook ontzettend vredelievend en milieubewust leven, allemaal netjes hun afval scheiden en hun huizen verwarmen met schone elektriciteit. Hoewel dit beeld in grote lijnen aardig correct is (maar in alle eerlijkheid voornamelijk voor Zweden geldt) zit in werkelijkheid de vork nét iets anders in de steel. Want waar komt dat milieubewuste karakteristiek van de Scandinaviërs vandaan? Waarom zijn zij het die altijd de openingsspeeches houden op de klimaattoppen en, zoals onze lieve Greta, anderen aansporen tot internationaal protest om tegen klimaatbeleid te demonstreren? En; in hoeverre zijn ze ook echt milieuvriendelijk bezig?

De Scandinavische regio bestaat uit drie landen; Denemarken, Noorwegen en Zweden. Noorwegen bevindt zich op het gebied van internationale politiek in een uitzonderingspositie ten opzichte van zijn twee buurlanden en is daarom een interessante casus. Zowel voor Denemarken als Zweden geldt namelijk de klimaatwetgeving die is ingesteld door de Europese Unie: Noorwegen is geen EU-lidstaat. Ondanks deze onafhankelijkheid heeft het land een groot deel van klimaatdoelstellingen van de EU overgenomen en in een aantal gevallen zelfs een stuk ambitieuzer gemaakt. Een voorbeeld hiervan is een reductie van 45% van het toegestane deel van de uitstoot (kvotepliktig utslipp) vóór 2030 ten opzichte van de Europese 40% – die we met ons huidige tempo overigens niet zullen halen.

Het is belangrijk te weten dat de Noorse nationale identiteit onlosmakelijk verbonden is met de natuur. Wie wel eens in een weekend in Oslo of Bergen heeft rondgelopen, moet hebben opgemerkt hoe overwegend rustig de winkelstraten waren op de zon- en zaterdagen. Dan trekt de doorsnee Noor namelijk de nabijgelegen bossen in, gekleed in waterdichte  gewatteerde outdoorkleding en gewapend met speciale paddenstoelenmand. Als nomaden hiken ze met hele gezinnen van hytte naar hytte, blokhutten die vrij beschikbaar zijn voor iedereen die een trektochtje door de natuur wil maken. Kleine side-note-tip voor de leesliefhebbers onder ons: Noorse comedian Are Kalvø heeft hier een hilarisch boek over geschreven, getiteld Hyttebok frå helvete ofwel De outdoorwaanzin.

Met deze natuurvoorliefde ingebakken in hun DNA, is het niet verwonderlijk dat de Noren zowel op burgerniveau als in de mondiale politiek al decennialang op de spreekwoordelijke klimaatbarricades klimmen.

Onder leiding van statsminister Jens Stoltenberg (2000-2013) ontpopte Noorwegen zich tot leider van de internationale klimaatbeweging. Zijn opvolgster, Erna Solberg (2013-), zet deze progressieve lijn voort. Zo opende ze bijvoorbeeld in 2019 de internationale klimaattop in Madrid met een speech over sustainable ocean economy (visserij is de op één na grootste industrie van Noorwegen) en riep ze Rusland en China in februari 2021 op om actief deel te nemen aan de strijd tegen klimaatverandering.

Prachtig, zou je denken. Een voorbeeld voor landen zoals Nederland, waarin we sinds het Klimaatakkoord van Parijs in 2015 nog geen enkele doelstelling hebben weten te behalen en waar in Den Haag klimaatpolitiek het ondergeschoven kindje lijkt. Toch moeten er kanttekeningen geplaatst worden bij dit groene Noorse verhaal. We kunnen namelijk niet langer om de gitzwarte olifant in de kamer heen: de olie.

Toen in 1959 in Groningen gas werd gevonden, startten ook onze noorderburen de zoektocht naar fossiele delfstoffen in hun eigen bodem. Na wat getouwtrek met Denemarken en Groot-Brittannië over de exacte locaties van de zeegrenzen begonnen de Noren in 1966 te boren. In de loop van de jaren 70 pompte Noorwegen miljoenen liters olie uit velden zoals Ekofisk, Oseberg en Troll. Al in 1972 werd Statoil opgericht, het staatsfonds voor de oliewinst. In 2001 werd Statoil (nu Equinor ASA geheten) het eerste beursgenoteerde pensioenfonds ter wereld.

Vandaag de dag is het Noorse oliefonds zo’n 1,1 triljard dollar ($1.100.000.000.000.000.000 dus) waard. Op de website van het fonds kan je live de geschatte waarde bekijken (https://www.nbim.no/en/) en kan je in detail terugvinden waar en hoe het geld geïnvesteerd wordt. Samenvattend heeft de olie, ook wel det svarte gull genoemd, Noorwegen ontzettend rijk gemaakt. De verkoop van de olie aan buitenlandse partijen (62% van de gehele nationale export) en de winsten uit de investeringen van het oliefonds vormen de -fossiele- brandstof voor de successen van de Noorse verzorgingsstaat. Het BBP bestaat voor 18% uit oliegeld en momenteel bouwt de regering aan boorplatform Johan Sverdrup, de grootste tot nu toe.

Zou je kunnen zeggen dat er sprake is van greenwashing als het aankomt op de Noorse klimaatpositie?

De paradox lijkt in ieder geval compleet wanneer bijna 2% van het oliefonds -een ruwe 22 miljard dollar- geïnvesteerd wordt in de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen en de energietransitie. In het jaarlijkse financiële rapport van het pensioenfonds (2020) word je elke twee alinea’s met de woorden “impact on the environment”, “sustainability” of “responsibility” om de oren geslagen. Geld uit fossiele brandstoffen als investering in een groene toekomst: waar hebben we dat toch eerder gehoord? De realiteit is dat Noorwegen in een halve eeuw zijn economie bijna volledig afhankelijk heeft gemaakt van de olie-industrie. De noodzaak voor verduurzaming van onze energiebronnen wordt urgenter naarmate de aarde steeds verder opwarmt en de aardolie die daar mede voor zorgt steeds schaarser wordt. 

Er is echter hoop voor de toekomst. In navolging van Greta Thunberg’s Skolstrejk för klimatet werd in Noorwegen op 22 maart 2019 het grootste klimaatprotest ooit georganiseerd. Meer dan twintigduizend scholieren gingen de straat op om de politiek tot beter klimaatbeleid te dwingen. Beter dan organisator Gaute Eiterjord kan het niet onder woorden worden gebracht: ‘Als we de klimaatcrisis serieus nemen, kunnen we niet nóg meer olie en gas gaan winnen. Noorwegen moet oliebanen omzetten in klimaatbanen: dat is waar we in de toekomst van kunnen leven.’

De Noorse paradox moet worden ontward en het lijkt erop dat de nieuwe generaties klaar staan om deze taak op zich te nemen.

Jongeren Milieu Actief gebruikt cookies om de website in de toekomst te kunnen verbeteren. Vind je dat goed?